Even een tussendoortje over Beirut.

Aan veel kanten wordt momenteel naarstig gezocht naar een uitweg uit de Libanese janboel.

De huidige prime-minister, Hassan Diab, heeft zojuist zijn regering ontbonden  en het ontslag aangeboden aan de president van Libanon die hem verzocht met zijn kabinet de hoogst noodzakelijk regeringsfuncties  voorlopig te blijven vervullen.  

De compleet gefrustreerde samenleving eist onmiddellijke vergelding van wie dan ook maar altijd van anderen dat schiet dus niet echt op. 

Buitenlandse hulp komt in de clinch met bestaande privileges en pretendenten omdat er nauwelijks regering is om deze hulp te leiden.

Het land wordt overspoeld door vluchtelingen (Palestijnen  300 000; Syriërs 1 500 000 op een totale bevolking van 6 000 000 dat is en bevolkingsdichtheid die in de buurt komt van ons landje, met zoals het er naar uitziet een compleet gebrek aan financiële en materiële voorzieningen.

De 300 000 Palestijnen vormen een eigen Hezbollah  staatje in het Zuiden van Libanon  tegen de grens met Israël met bewapening en onder auspiciën van Iran.  Zij maken deel uit van het parlement en houden de rest van Libanon in gijzeling.

 De christenen (Maronieten, wier patriarch tevens kardinaal is in Rome) telden de helft van de oorspronkelijke Libanese bevolking maar velen hebben het land inmiddels verlaten . Zij werden en worden goed opgevangen in onze westerse wereld.

Macron, de huidige president van een land dat een eeuw geleden als peetoom aan de wieg van Libanon stond, is weer Libanon te hulp gesneld met veel moed en Libanese dankbaarheid maar met het besef dat een direct leidende Franse functie hierin al tegen kolonialistisch paternalisme aan zou lopen.

 Toch moeten wij voor buitenlandse hulp aan Libanon primair vast houden aan een Franse oriëntatie  (de twee officiële talen zijn Arabisch en Frans) om vervolgens te kijken of een Libanese regering voldoende vertrouwen en zekerheid kan bieden voor de eisen van internationale donors. 

Het zal er op neer komen dat Libanon daarvoor onder mandaat gesteld moet worden. Dat wordt een bittere pil die slechts de Ver. Naties kunnen toedienen. Gelukkig heeft dat in het verleden gunstige precedenten opgeleverd bij voorbeeld in Tanger en Singapore.

Dat in beide gevallen Nederlanders, resp. van Vredenburch en Winsemius, een belangrijke rol hadden is verklaarbaar omdat de periode waarin het speelde, het decennium na eind WWll, Nederland afstand had genomen van haar koloniaal verleden en  hegemoniale  ambities en als klein landje nog wel beschikte over een enorme koloniale deskundigheid.

Laten wij hopen dat ook nu weer de Ver. Naties bereid zijn hulp te bieden. Topdeskundigen zullen zij zeker kunnen vinden.

Met een zak vol internationaal hulpgeld zouden die kunnen aantreden.

 Maar de  taak die hen wacht is zwaarder dan ooit.

Tot een volgende keer voor 4/4 Hafdar.       Arnout