Het “tussendoortje” van blog 164, over de ramp in Beirut, noopte tot zoveel verduidelijking dat ik heb besloten ook hier weer een kleine serie in te lassen van 4 blogs over Libanon, waarbij blog 164  de titel krijgt “Libanon ¼ “ en deze blog als boven vermeld. Daarmee zal ik proberen duidelijk te maken waarom het zo moeilijk is in Libanon betrouwbare gezagvoerders te vinden aan wie internationale donors grote steunbedragen kunnen toevertrouwen, waarmee de internationale wereld bereid is Libanon te hulp te komen..

Of, de vraag anders gesteld, waarom kan Libanon niet zelf een eigen instantie aanwijzen om besteding van steunbedragen te bewaken en te verantwoorden?  

Als antwoord hierop is het nodig even te kijken wat in Ottomaanse tijden (t/m de Eerste Wereldoorlog ) de benoemingsprocedures waren van overheidsambten in bestuursfuncties b.v. gouverneurs. De functies werden in het algemeen verpacht. Dat eiste van de kandidaten niet alleen beleidservaring en -kwaliteit maar ook eigen vermogen want er moest aanbetaald worden. Van de gekozen functionaris wordt verder primair verwacht regelmatige belastingafdrachten aan de Sultan en daarvoor is nodig handhaving van orde en welvaart in zijn provincie en vooral geen oproer die kostbare militaire steun vanuit Istanbul zou eisen. 

Volgen wij dan de betreffende gouverneur in zijn nieuwe provincie bv. Syrië, waaronder ook Libanon ressorteerde, dan kreeg hij met name in Libanon te maken met een meerderheid van niet Turkse zelfs niet Islamitische onderdanen (Milets) met eigen taal, eigen autonomie, eigen wetgeving, eigen bewapening en eigen inkomstenbronnen. En eigenlijk alleen in dat laatste, die inkomstenbronnen had de gouverneur enige inspraak.

Daar ontmoeten privileges en collectieve verplichtingen elkaar in het Ottomaans belang. Exclusief recht op water uit een bron of door aftapping van een riviertje of beek kan zo’n privilege zijn of het exclusieve recht op het houden van een souq (=markt), of de controle over een haven of het verwerken van olijfolie, of het transporteren van reizigers langs een bepaalde route, scholen/universiteiten, bewapening, eigen belasting heffing, enz.

Er zijn talloze domeinen waarin het privilege ruimer is dan het eigen nut en waar de rechthebbenden ook buitenstaanders tegen vergoeding graag van laten genieten. Dat maakt zulke privileges onderwerp voor onderhandelingen. 

In Libanon waren zulke privileges in handen van religieuse/etnische groepen:

  • Christenen onderverdeeld in Maronieten (Kaholieken), diverse orthodoxieën (Russisch. Grieks), Anglicanen (Episcopal, Evangelical), Armeniërs, Joden.
  • Moslims onderverdeeld in Sunnieten, Shyieten, Druzen, Koerden.
Population +/- 1900

Geen kleine jongens, wel grote pretenties., die hun autonomieën zorgvuldig bewaakten, elkaar de maat namen, onderlinge kongsi’s sloten, zekerheden zochten in handel en nijverheid  en usances schiepen voor hun volgende generaties .  .  .  .  en desondanks verstoringen kenden met als gevolg hevige botsingen en opstanden.

Om daar op toe te zien was de taak van de Ottomaanse gouverneur, die regelmatig met vertegenwoordigers van de partijen sprak, hen persoonlijk aansprak over hun collectieve financiële plichten, problemen rechtstreek, geschillen beslechtte en zorgde voor een conservatief beleid .  .  .  wat helaas ook progressie remde.

Volgende week bekijken wij hoe dat in na-Ottomaans Libanon uitwerkte. 

Arnout