Nog vóór het einde van WO1 (de eerste Wereldoorlog), tevens het voorzienbare einde van 6 eeuwen Ottomaans Imperium, bogen de overwinnaars in spe, in 1916 Engeland en Frankrijk zich over het vooruitzicht de taak in centraal Midden Oosten over te nemen, zie Sykes-Picotkaart.

Sykes  was lid van het Engelse parlement Picot was Frans’ consuls-generaal in Beirut. Hun opdracht was: verdeling en overdracht van de belangen en rechten aan de beide verwachte nieuwe mandaathouders Engeland en Frankrijk.

Laten wij Engeland even terzijde en beperken ons tot de Franse planning, die zich richtte op het Franse systeem: een democratische republiek met parlement, in een trias politica: wetgevend, uitvoerend, rechtsprekend.

Moderne politieke partijen zoals samengesteld uit groepen mensen met vergelijkbare geestelijke en materiële niveaus in de economische samenleving waren uiteraard heel moeilijk in te voeren in een mentaliteit die nog zo gewend was aan Ottomaanse systemen waar veel privileges rustig doorwoekerden. Daarom konden de Fransen de bestaande autonome partijen met de collectief verworven rechten en plichten uit het verleden nog niet missen. Voorlopig waren zij immers de enige benadering van politieke partijen. 

Wel was evident dat de privileges geleidelijk zouden uitsterven door technische ontwikkelingen en maatregelen van een rijksbestuur. Daarvoor zochten de oude partijen dan weer compensatie in politieke privileges: o.a. president van de republiek voor de Maronieten, Eerste Minister van het Kabinet voor de Sunni moslims, Voorzitter parlement voor Shyieten.

En die waren veel hardnekkiger in hun voortbestaan. Daarvoor zou het verleden opengebroken moeten worden. Dat is al die jaren later niet mogelijk gebleken. Nu is het waarschijnlijk al te laat.

Ik zal nu twee voorbeelden geven waarbij ik zelf betrokken was. Zij speelden zich  beide af in het jaar 1957 dus 9 jaar na de officiële oprichting van de staat Israël.

In dat jaar maakte ik een kleine excursie naar de top van de berg Hermon (2814m) op de grens van Libanon met Syrië en Israël. Mijn 7 Libanese gezellen hadden vergunningen aangevraagd en verkregen van de lokale machtshebbers aan de voet van de berg . Wat daar opviel was dat bijna al de christenen (Maronieten) waren verdwenen (geëmigreerd).  Ik zag hoe kerkjes verkocht waren aan moslims: die er hun gebedshuizen van maakten. Het kruis was simpel vervangen door de maansikkel. De overgang was nog harmonieus gegaan, hoorde ik, als onder buren die elkaar generaties lang hadden gekend. Volmachten om de stemrechten  te behouden die nodig waren om de Maronieten meerderheid in het parlement te handhaven hadden de emigranten bij de weinige blijvers achtergelaten. Zelf  hielden zij het voor gezien aan de grens met Israël, waar de Palestijnse vluchtelingen massaal Libanon binnenkwamen, en vetrokken uit Libanon,

Onder dePalestijnse vluchtelingen was veel diversiteit. De Engelse taal die makkelijk ingeburgerde in het aan Engeland toegewezen Palestina leverde goed opgeleide werkkrachten die snel verder trokken o.a. naar de olie industrie in  Saudi Arabië. Als ze dan ook nog christen waren (veelal Anglicaans) vluchtten velen verder naar het christelijke Westen: Noord- en Zuid-Amerika. 

Samen met de Maronieten emigratie die zich bovendien richtte op West Afrika en Europa beleefde de Libanese MEA (Middle East Airlines) gouden tijden aan deze massale christelijke uittocht.

Wie zich van de Palestijnen blijvend in Zuid Libanon vestigden waren vooral de minder goed opgeleide moslims. Zij waren het ook die de jaren daarna de problemen veroorzaakten waar ik in de volgende week op terugkom.

Eveneens in 1957 begon op een ochtend een van de zeldzame stakingen in de haven van Beirut, vanouds een privilege van de Maronieten.  Voor het bedrijf waarvoor ik toen werkte lag daar een kostbare partij gezouten en gekalibreerde schapendarmen, beperkt houdbaar, in houten vaten klaar voor verscheping naar Hamburg. Wij deden dus al het mogelijke die partij zo snel mogelijk naar het schip te krijgen met koelcapaciteit dat op de rede lag te wachten. Het havenkantoor liep tjokvol joelende boze expediteurs en radeloze agenten van de rederijen wier schepen in tijdsnood kwamen.

De telefoonlijn met B’kerke het paleis van de Maronieten Patriarch 20km noordelijk van de haven, stond roodgloeiend van verhitte gesprekken tussen de havenautoriteiten en de Patriarch. 

Maronieten vanouds de baas in de haven en hun personeel bemanden het havenkantoor dat alles in de haven regelde en dus ook de staking, die werd veroorzaakt door een aanvraag tot uitbreiding van de haven van de Noord Libanese stad Tripoli, waar de  haven van Beirut tegen was en de ijdele maar zwakke President van Libanon (dus Maroniet) Chamoun  ook.  In 1958 zouden nieuwe presidentsverkiezingen plaatsvinden hetgeen de politieke sfeer extra vergiftigde.

Van de Maronieten patriarch (tevens Kardinaal in Rome) Méouché, een diplomaat van groot formaat, konden de andere partijen en dus het land verwachten dat hij moest beseffen hoe compromitterend gebruik van het stakingswapen in het huidige geval was. Bij hem dus werd van beide kanten bemiddeling gezocht en de patriarch deed dat met de wetenschap dat er naar hem geluister zou worden, dus luisterend met grote zorgvuldigheid.

Het duurde nog even maar tegen de avond was de staking afgelopen en gingen de havenwerkers weer rustig aan het werk. Beslissing over Tripoli uitgesteld tot na de presidentsverkiezingen in 1958. De vaten kwamen op tijd aan boord.

Tot de afsluitende Libanon 4/4, volgende week.   Arnout