Nu eerst een persoonlijke ervaring.

In de winter van 1966 overnachtten Fransje en ik in een van de 80 uitgeleefde en verwaarloosde cellen van het klooster “St. Joris”, in ’t zicht van de Krak des Chevallier, kruisridder burcht bij Homs in Syrië. De nacht was apocalyptisch met wind en sneeuw gierend door het kapotte venster. De volgende ochtend zaten wij met de abt en zijn twee monniken in de refter aan het ontbijt. (zie ook mijn boek “de Levant”, hfdst. 16)


Het gesprek ging over het klooster, gesticht A.D. ± 550, in de bloeitijd van het Oost Romeinse Rijk. Boven ons hoofd in azuurblauw, goud en zilver, hing een plaat­je van St. Joris, de heilige uit Capadocië. Zijn draak had hij ver­slagen. Het lot van andere draken had hij aan zijn volge­lingen overge­laten. Nu memoreerde de abt de belangrijke opvangfunctie voor pelgrims in het Middel-Eeuwse verleden. Daarna won de scheepvaart via Italië, direct naar Palestina en na WOll de luchtvaart via Beirut en het Arabische achterland naar Jerusalem en via Israël weer per vliegtuig terug naar huis. (ook dat zou ophouden na 1967, toen Israël het Heilige Land toerisme geheel in handen kreeg)

– Voor ons klooster is er in het pelgrimsverkeer geen plaats meer, was zijn conclusie.

– Waarom probeert u het in zijn huidige grootte nog in stand te houden, vroegen wij.

– Wij zijn nog altijd hèt verzamelpunt op de 23e april, de dag van St. Joris. De christenen volgen dan de mis in de kapel en de moslims sprei­den hun matjes op de grote binnen­plaats. Daarna komen de citers en fluiten tevoor­schijn en zet de dabke in. Dan dansen moslims en christenen broederlijk bijeen.

– Maar wat doen al die moslims dan hier in dit orthodoxe kloos­ter?

– U weet toch dat nog geen 14 eeuwen geleden was iedereen hier christen. Voor ons allen is dat verleden nog zeer tastbaar. . . . ; de St. Joris traditie heeft zich gewoon voortge­zet.

– En zijn er voldoende roepingen om voor dat doel de continuïteit veilig te stellen.?

Hij blikte bezorgd naar het plaatje van St. Joris en mompelde: ” Dat weet alleen God”.

Ik heb alle contact met dit klooster verloren en zou zeer dankbaar zijn voor recente informatie.

Tot volgende week, Arnout Gischler