Met persoonlijke toestemming van de Maronitische Patriarch Méoucheh bracht ik, begin Mei 1966 , samen met Ad Andeweg, Anglikaanse priester en oprichter van het doven instituut er internaat in Beirut, een bezoek aan de Qanoubien. Dat is het grotten complex diep onder in de Qadisha kloof. Vier eeuwen lang was dit de residentie en schuilplaats van Méoucheh’s voorgangers, 120 km ten noorden van Bierut.

Ongeveer een kilometer voorbij dit dorpje, nog hoger op in het Libanon gebergte, begint de steile afdaling te voet. Een bezoeker uit A.D. 1440 schrijft:

” Jean Ladji, patriarch van de Maronieten, achterna gezeten door de Mameluken (omdat de Maronieten de kant van de kruisridderd hadden gekozen) vlucht van klooster naar klooster en komt in de Qanoubien terecht. Het ene klooster na het andere wordt door de Turken in brand gestoken, de monniken vermoord. Maar in de Qanoubien waagden de Turken zich niet en 4 eeuwen lang bleef het de patriarchale residentie. Verborgen in de grot vertoont de patriarch zich alleen voor zonsopgang of na het invallen van de duisternis, want de Pascha van
Tripo­li zendt regelmatig zijn Turken (dat zijn die Memeluken) om te trachten de patriarch te vangen, wel wetende dat hij daarmee een geweldige borg in handen zou hebben. Alle Maronieten zouden immers tot hun hemd afstaan om de patriarch vrij te kopen”.

Tegen de middag uur hoorden wij het eerste menselijke geluid: twee mannen met hakmessen ontwoekerden een akkertje.

– Allah ma’kum! God zij met jullie.

– en met jullie . . ., wisselden wij over het riviertje

– hoever is het nog naar de Qanoubien?

– nog drie kwartier en dan roep je maar en brengt iemand wel de sleutels.

Drie kwartier verder riepen wij en na enig wachten dartelde een knaapje uit een bergschaduw halverwege de steile rotswand. Wij klommen hem tegemoet langs een trap, uitgehouwen in de loodrechte rots­wand. Een kleine klokkentoren stak buiten de rotswand uit op een terrasje, daaromheen vele grot openingen. De grootste was afgesloten met metselwerk in het vlak van de rots. Het knaap­je ontsloot de simpele houten deur en wij gingen binnen in een kapel. We moesten even aan de duisternis wennen en konden toen enkele ikonen zien aan de rotsmu­ren bij het zwakke schijnsel van een brandende olie­pit op het altaar. Achter in de kapel stond een doodskist, van patri­arch Tyan, ge­storven zo’n 150 jaar geleden, zo lazen wij in de Guide Michelin. “Kijk er maar in” zei het knaapje. Met enige schroom opende ik het deksel, dat los bleek te zitten, zodat het achter de kist naar beneden plofte. Mijn hart stond even stil, maar toen ik het rustige ge­zicht zag van de patriarch, herkende ik daarin de adel van heilig­heid in de verlossing van de dood. De droog­te van deze plek had het lichaam, nu gehuld in grijze pij, kennelijk perfect geconserveerd. Geen spoor van ontbinding. De huid lag alleen strakker over de schedel en over de handen die hij gevouwen op de borst hield, maar zonder rimpels. De ogen waren gesloten. Zo heerlijk was die complete rust in totaal evenwicht dat ik er geboeid naar bleef kijken. Wat had ik graag met hem kunnen spreken, dacht ik. En inmiddels sprak ik al met hem en vernam dat de dood, slechts geschiedenis, hier een metafoor is van zichtbare voleinding. (Zie ook mijn boek “De Levant” hfdst. 20)

Tot volgende week, Arnout