De Fransen
invloed kroop verder. Allereerst in de
Ottomaanse provincie Syrië. Dat kwam de Maronieten goed van pas. Hun
onvoorwaardelijke steun aan de kruisvaarders had hen geen windeieren gelegd en
het Vaticaan en het Franse koningshuis konden er hun voordeel mee doen. Lodewijk XIV stuurde zijn ambassadeurs
(omstreeks A.D.1700) naar de Qanoubien.
Eén rapporteert “houten stoel, een tafeltje waarop enke­le
boeken en twee of drie tapijten op een
plank als bed . . .” .
Een andere gezant
schrijft in 1721: ” We aten rauwe
groenten in olijfolie en bieten en een beetje zoute vis met zwart brood . . .
maar de wijn was uitstekend! . . . ”
. W
eer een ander in 1736: “de
prelaat maakte mij duizend complimenten volgens de gewoonte van zijn land en
nodiigde mij aan tafel …. Na een uur van zwijgende conversa­tie nam ik
afscheid van Zijne Heerlijkheid, die mij bij het vaarwel overlaadde met
benedicties
“. Zo groeide een
hechte band, die de Maronitische patriarch
een kardinaalszetel in Rome opleverde plus het exclusieve privilege van onaangediend
toegang tot de Paus.

In het begin van de 20ste
eeuw kon Frankrijk het park met fraaie
woning “Les Pins” overnemen van
de zeer gefortuneerde Maronieten familie Sursock in het hart van de nieuwe stadswijk Hamra op
het schiereiland van Beirut. In 1911 vestigde Frankrijk daar haar consulaat.
Nationalisme en de roep om vrijheid in de Arabische wereld staken overal de kop
op. In opdracht van het Franse ministerie van Buitenlandse zaken deed George
Picot, consul generaal, er alles aan om
dat aan te moedigen. Een groep van 33
Arabische intellectuelen van diverse religieuze en etnische pluimage klopten
voor hulp tot zelfbestuur bij hem aan. Er werd een manifest opgesteld, maar
omdat de tijd nog niet rijp was voor publicatie werd het in geheime bewaring
gegeven aan de Franse consul generaal.

En dat leidde tot een fatale
ontknoping. Tot volgende week, Arnout