De
ondergang van het Ottomaanse imperium was een langdurig en gecompliceerd proces.
Wanneer het begon? Laten we zeggen eind 18e eeuw.
En
voltooid? Misschien zelfs heden ten dage nog niet.
Het was een
gigantisch imperium, gedecentraliseerd in semi-soevereine regio’s, die weer
samengesteld waren uit autonome volken, elk met sterke banden tot ver buiten het Rijk, etnisch, godsdienstig, taalkundig en economisch. Zoiets
ontbind je maar niet eventjes. En met dat je het doet, groeien er hindernissen.
In wat eens één grote markt was ontstaan ineens grenzen met controles en de
bureaucratie die daarbij hoort, regels, paspoorten, wetten, nationale
identiteiten en loyaliteiten. Om je als
bevolking daaraan aan te passen kost generaties.
In het
autochtone Turkije zelf, ongeveer het huidige Turkije, was de Sublime Porte (het
Ottomaanse regeringscentrum in Istanbul) niet meer in staat die ontbinding te
beheersen. De bezetting van de internationale havenstad Smyrna (Izmir), door
Griekenland (1919) ging helemaal te ver. Toen greep de nationale oppositie van jong Turkse
officieren in, onder leiding van Moestafa Kemal Pasha. De Grieken werden
er weer uit gegooid (1922) Toen volgde de sultan en zijn hele Ottomaanse entourage,
met alle adellijke titels en “sublime” pretenties. Het als corrupte antiquiteit beschouwde oude Istanbul had als hoofdstad afgedaan. Kamal Pasha, nu AtaTürk, werd president; de nieuwe hoofdstad:
Ankara (1923). Het Chalifaat werd opgegeven. Het dragen van fez en sluier
afgeschaft. Het Arabische schrift vervangen door het Latijnse. Westerse kalender
ingevoerd. Scheiding tussen godsdienst
en staatsvorm in grondwet opgenomen (1928). Voor Turkije een complete “revolutie”.
Voor de
bevolking een beproeving. Voor veel volken verdween de autonomie en werd het
grondgebied doorklieft met grenzen. Dat lot trof in het bijzonder de Koerden
en de Armenen.

Tot
volgende week, Arnout.