Wist je dat buiten zijn eigen land,
Turkije, de Ottomaans Turkse Sultan, vanuit zijn regeringscentrum de
“Sublime Porte”
in
Istanbul, een gigantisch rijk beheerde: vanaf de Straat van Gibraltar tot Perzië en
over de Balkan tot achter de Zwarte Zee. Het was ingedeeld in provincies
(vilayets). De Levant – de oostelijke kuststrook van de Middellandse Zee – viel
onder de provincie Syrië, met hoofdstad Damascus. Daar zat de Pasja (Gouverneur),
de vertegenwoordiger van de Sultan. Hij
moest allereerst zorgen voor een regelmatige stroom provinciale belastingafdrachten
naar de Sublime Porte in Istanbul.

Als dan de orthodoxe Patriarch in Jerusalem
hoorde dat pelgrims van zijn kerk gemolesteerd waren, dan ging hij onmiddellijk
naar de Pasja. Het
pelgrimstoerisme was immers een belangrijke inkomstenbron waaruit de Patriarch
belasting afdroeg aan de Pasja. Die bron eiste bescherming. Maar toen de ruzie
tussen twee kinderen, één van Maronieten huize en een Druzen jochie , er op
uitdraaide dat de twee bevolkingsgroepen in Libanon elkaar midden 19e eeuw in
een ware veldslag in de haren vlogen, liet
Napoleon III, als Franse keizer beschermheer van de Roomse christelijkheid in
de Libanon, via zijn ambassadeur bij de
Sublime Porte, de Pasja ter verantwoording roepen. Maar toen zaten wij reeds
in de nadagen van het Ottomaanse Rijk. Ja, zo’n Pasja had een zware taak: zorgen
voor een constant vulling van de kas van de Sublime Porte; zorgen dat de spanningen tussen
verschillende bevolkingsgroepen niet uit de hand liepen; . . . en zorgen dat hij er zelf nog wat aan overhield.
Tot volgende week, Arnout Gischler

Je wordt automatisch
geattendeerd via email en mijn blog is ook bereikbaar via mijn website www.arnoutgischler.nl