De
Perzische vertegenwoordiger van het bedrijf waarvoor ik, eind jaren vijftig in
Beirut , opzichter was voor het Midden Oosten, heette Mufid. Dat was een
scbuilnaam, want hij had een besmet verleden, vooral in Libanon. Mufid was
Turks, met het uiterlijk van een Engelse
gentleman. Het was fijn met hem te praten: een bron van kennis over
de regio, verwerkt in een scherpzinnige geest, met een liberale inslag. Mufid was erudiet en 15 jaar ouder dan ik.
Mufid was
geboren met een zilveren lepel, meer nog, met een heel bestek van zilver.
Middelbare school genoot hij op een kostbaar Zwitsers internaat. Hij sprak
Duits met een Zwitsers accent, maar ook Frans, Engels, Perzisch en natuurlijk
zijn moedertaal, Turks. Zijn moeder was een van de vrouwen van Ahmed Jemal Pash,
de wrede pasha waarover ik schreef in
dit blog 43. Zij was een gezegende vrouw omdat zij, van de vrouwen
waarmee de pasha formeel trouwde, de
eerste was die beviel van een zoon. Die eerst geboren zoon is dan de opvolger
van de pasha en de moeder dus de moeder van de nieuwe pasha, die weer de vrouwen uitkiest waarmee hij zal
trouwen. Kortom een vrouw om rekening
mee te houden. Maar toen kwam de revolutie.
Alle titels werden afgeschaft met de privileges en emolumenten daaraan
verbonden. Voor Mufid bleef niet meer over dan de charme en de noblesse die hem
ingeboren waren.

Bij zijn
bezoek aan Beirut drong Mufid er op aan dat zijn zoon Mehmed, student aan de universiteit
in Istanbul, bij een aanstaande bezoek aan zijn vader in Teheran, ook mij in
Beirut zou ontmoeten. Dat deed mij veel plezier en ik stelde voor dat hij dan mijn
gast zou zijn.
Mehmed
meldde zich een maand later: een vrolijke en openhartige jongeman. Hij deed mij
denken aan de typering van “Ein kleiner Gardeoffizier” in het gelijknamige
Duitse liedje: jung, voll Leichtsinn und
schlank.
Net twintig, beloofde hij uit te groeien tot een gentleman, met de
charme van zijn vader. Veel aansporing om mij te bezoeken had hij niet nodig
gehad. De exotische klank van Beirut was
voldoende om het logeeradres voor lief te nemen. Toen ook dat meeviel (ik
had een mooi penthouse met uitzicht op zee en stad) was het alsof ik een
student van welke Nederlandse universiteit of van waar dan ook in Europa, op
bezoek had. Samen, zo ver mijn werk dat toeliet, verkenden wij Beirut en op
eigen houtje vond hij aansluiting op de campus van de American University of
Beirut, om daarna tot ’s avonds
laat met een glas wijn op mijn terras over Oost en West te praten. De vergane
glorie van zijn voorvaders kwam niet aan de orde en dat gaf weer ruim zicht op een
toekomst met ambities richting het Westen met USA als maatstaf. Bij het
verleden van zijn vader in de geseculariseerde society van Tehran stond hij
nauwelijks stil en ik vroeg hem er ook niet naar maar begreep wel dat, wat mij
voor ogen stond in de uitzichtloze perspectieven van het Arabische Midden
Oosten, hem totaal onduidelijk was. Dat hier te zijner tijd geschiedenis
geschreven ging worden, klonk hem hoogdravend.
“Turkije had zich er met
Atta Türk toch, god-zij-dank, eindelijk van los gescheurd”.

Dit alles
speelde zich af in de jaren 50 van de vorige eeuw.

Tot volgende
week, Arnout.