Engelse
romantiek paste niet in het Franse mandatenpatroon. Van koningen en keizers
hadden de Fransen hun buik vol. In Algerije bouwden zij een nieuwe Franse provincie. Ook hun Levant moest een
Frans stempel op het hele Nabije Oosten drukken. Het werd een fixatie van wat was: erkenning
van 18 autonome bestanddelen, maar nu (grond)wettelijk gestructureerd. Het
begon in Beirut . Dat zou de omslaghaven worden voor het hele Franse
mandaatgebied. (~huidig Libanon en Syrië). Een Franse Hoge Commissaris kreeg ultieme
macht. Een Franse legerleiding kreeg troepen uit Senegal, “la foce
noire”. De gemeenteraad kreeg een basis van religieuze affiniteit: 5 moslims,
6 christenen (2 Maronieten, 2 Orthodoxen, 1Grieks Katholiek en 1 overige
minoriteiten). Alle onderliggende functies werden dienovereenkomstig verdeeld
en groeiden mee met de uitbreiding van het territorium tot het Libanon dat vanaf 1943 zijn
onafhankelijkheid kreeg. Daarbij moest het staatshoofd (president), gekozen
voor 6 jaar, een Maroniet zijn ; minister president een sunniet; voorzitter
parlement een sjiiet; plaatsvervangers
voor laatste twee een orthodox ; minister van defensie een Druze, enz. De rechterlijke macht erkent
de autonomie van religieuze traditie, zoals in huwelijk, scheiding , erfrecht
enz. In het
aangrenzende mandaat Syrië werd
eenzelfde systeem opgebouwd.
Maar in zo’n constructie van religieuze
identiteiten die allemaal impulsen van ver buiten de nationale grenzen
resoneren, komt nationale identiteit moeilijk tot zijn recht. In Libanon heeft
het systeem het met vallen en opstaan uitgehouden tot de burgeroorlog in 1975. Het
bood Libanon perioden van welvaart en groei. De christenen koesterden zich in
Franse gunsten en privileges, maar waar men zich achtergesteld voelde daar braken
telkens onlusten uit.
In Syrië greep
de dictatuur al vroeg in.
De laatste
Franse troepen verlieten het Midden Oosten in dec.1946.

Tot
volgende week, Arnout