De Balfour
declaratie, waarbij zionisten een tehuis in Palestina in het vooruitzicht
gesteld werd, had tot onmiddellijk gevolg dat groepen joodse kolonisten na de
eerste wereldoorlog aanstalten maakte zich er te vestigen: joden van
diverse pluimage en herkomst. Allereerst uit het nieuwe communistische Rusland
en zijn rumoerige randstaten. Het Jewish National Fund met veel Amerikaanse
contributies begon land op te kopen in Palestina. Grootgrondbezitters aldaar
waren maar al te happig de hoge biedingen te accepteren, dikwijls met
voorbijgaan aan mogelijke beschreven of ongeschreven servituten. Zo kwamen de
nieuwe kolonisten autochtone landbouwers tegen die niet bereid waren te
vertrekken en pachtrecht van vele generaties claimden op kaveltjes van de
landerijen die inmiddels verkocht waren door hun landheren. Dan werd het zionistische militantisme ingeschakeld: de Stern groepen of de Irgoen Zvai
Leumi om de dwarsliggers hardhandig te verwijderen.
Het Britse militaire gezag over het Midden
Oosten was na de eerste wereldoorlog weer terug bij de politici in Londen. Waar
de militairen, in ’t algemeen Arabische
aanspraken steunden, was de sympathie
van de Londense politici meer bij de zionisten. Als eerste Hoge commissaris voor Palestina
werd Sir Herbert Samuel (later viscount) aangesteld (zie blog 47). In
vol besef van de problemen en zijn verantwoordelijkheid daarvoor begon hij met fikse investeringen in
infrastructuur, waterleiding, havenuitbreiding en electriciteit, maar kon niet
verhinderen dat overal en telkens de partijen elkaar in de haren vlogen.
Daarbij kregen ook de Britse security forces rake klappen. Dorpen werden aangevallen,
autochtone inwoners verdreven. Ook zionistsche settlers werden overvallen. Aan beide zijden vielen doden en veel
gewonden. Beschuldigingen klonken over en weer.
Dorpelingen
vluchtten in paniek. Dit was het prille begin van een vluchtelingen stroom die
binnen een eeuw tijd zou aanzwellen tot onoverzienbare proporties.

Tot volgend
weekend, Arnout