En wat gaf deze jeugd nu dan nog de
inspiratie en de moed om zo vol te
houden?

Welnu, dat was het voorbeeld van
miljoenen Levantijnen in de loop van duizenden jaren om de wereld te verkennen, ondernemend en belangstellend.

Zelf heb ik er tientallen ontmoet, die ieder weer
een verwijzing waren naar honderden anderen, meest afgestudeerd in Alexandrië, aan
de American University Beirut of in Paris, Londen, USA: moslims en christenen,
accountants, juristen, medici, technici, journalisten in goed betaalde loondienst, b.v.
als trait-d-union tussen de Amerikaanse specialisten in ARAMCO en het Arabisch
sprekende werkvolk of als zelfstandigen in de Irakese, Syrische en Libanese
dienstverlening aan westerse belangen.

Voor christenen was de uittocht uiteraard
meestal naar het westen (incl. Australië) waar een welwillende opvang door
kerkgenoten hen wachtte.
Voor moslims was dat moeilijker omdat de
Palestijnse moslims, hoewel veel meer geëmancipeerd dan de moslims van de
Arabische randgebieden, moeilijker onthaal vonden in de moderne wereld.
Bovendien werden zij in westerse ogen geïdentificeerd met Arabische moslims. Die laatsten waren massaal afgekomen op de
investeringen waarmee Sir Herbert Samnuel als eerste Engelse
commissaris na de eerste wereldoorlog het mandaat Palestina begon voor te
bereiden op de komst van de zionnisten (zie blog 54 & 56, 2e
alinea). Het waren duizenden gastarbeiders uit de
Arabische ommelanden, die ook als voortplanters het religieuze evenwicht in
Palestina danig ontwrichtten en later in het verloop van de 20e eeuw
de achtergebleven autochtone Palestijnen meesleurden in het Israëlische imago
van de “Achab” (zoals ze het
woord Arab met de grootste minachting uitspreken): de achterlijke moslim, de
verschoppeling, de oproermaker. de handlanger van de vijand, de terrorist.
De status van vluchtelingen-kamp bewoner die velen al een halve eeuw bekladt houdt dan weinig aanzien over.

Tot volgende week, Arnout.